De geschiedenis van de wagen en de ontwikkeling van het ik-bewustzijn, deel 2

e. Afleiding van de wagen uit het dierenrijk

Wat is nu eigenlijk het wiel? In het wiel van een rijdende wagen hebben wij de mechanisering van de stappende of dravende beweging te zien. Het stappen van de paardenpoten wordt tot de wentelende opeenvolging van de spaken en tot de voortgaande beweging van de omtrek van het wiel. De wagens, de auto’s, de fietsen zouden wij loopwerktuigen moeten noemen.

Wij zien in deze dingen een mooi voorbeeld van iets waar Poppelbaum telkens op gewezen heeft: Er is een geheimzinnige betrekking tussen elk van onze werktuigen en een lichaamsdeel of zelfs het hele lichaam van een bepaald dier. Men hoeft niet te denken dat zulk een voorbeeld uit een geconstrueerde gedachtegang voortkomt, want de historie demonstreert zeer duidelijk de juist­heid ervan. Er is bijvoorbeeld iemand geweest, die bij het begin van de ont­wikkeling van de stoomwagen meende, dat een glad wiel voortdurend uit zou glijden bij het voortstuwen van de wagen. Hij heeft toen in plaats van het wiel een krans van paardenpoten geconstrueerd. Dit was een technische fout, maar een interessant historisch symptoom. Bij onze tractoren met kammen op de wielen en bij de tandraderen van de tandradbaan wordt zijn beginsel toegepast.

Aan dit laatste voorbeeld kan men heel duidelijk zien, op welke wijze de be­weging van een dier omgevormd wordt, zodra deze gemechaniseerd wordt. Men zal dan als regel zien dat een ritmisch herhaalde beweging wordt vervangen door een draaiende beweging. De draaiende beweging in de tech­niek houdt meestal verband met een herhaalde beweging bij de levende wezens.

Wanneer men op de uiterlijke gelijkenis afgaat, dwaalt het wiel steeds verder van zijn oorsprong af. Een autowiel lijkt al buitengewoon weinig op een reeks paardenpoten. Naar de functie gaat het wiel juist meer en meer op de poten lijken. De oudste wielen zijn stijf en rollen passief mee. Later komt de vering en de bestuurbaarheid erbij. Ten slotte wordt de taak de wagen voort te stuwen zelfs aan de wielen overgedragen. En bekijkt men de tegenwoordige autowielen dan verenigen die al deze functies en bovendien rollen ze nog soepel over alle mogelijke oneffenheden heen, zodat ze een half levende indruk maken.

f. Afleiding van de wagen uit het mensenlichaam

In de vroegere werktuigen ziet men vaak duidelijk de afbeelding van de levende delen, waarmee ze in betrekking staan. Zo wordt men bij bepaalde ouderwetse boerenwagens met uitwijkende zijschotten en hoog achterschot levendig aan de vorm van een menselijk bekken herinnerd.

Dit geldt vooral voor de tweewielige typen, maar toch ook voor de vierwielige. De wielen zijn dan op de plaats van het heupgewricht aangehecht. Een mens in zulk een wagen gezeten ondergaat a.h.w. een geweldige mechanische ver­groting van zijn onderstel.

Deze dingen wijzen weer op iets zeer wezenlijks: een werktuig als de wagen hoeft niet alleen afgeleid gedacht te worden als van een dier, maar kan ook in verband gezien worden met een deel van ons lichaam. Het draagvermogen, de kracht en de bewegingsmogelijkheden van ons bekken met de heupen tezamen vinden wij machtig vergroot terug in de wagens. Een dergelijk inzicht zou breeduit gefundeerd kunnen worden, maar in het verband van dit artikel moeten wij ons beperken. Wij willen het alleen toetsen aan een oude over­levering omdat dit nog een derde mogelijkheid tot afleiding van de wagen uit zijn oorsprong meebrengt.

g. Het kosmische oerbeeld van de wagen en het wiel

Men vindt dikwijls de overlevering van een bepaald verband tussen de dieren­riemtekens en delen van ons lichaam. Het schutterteken wordt dan in betrek­king met de bovenbenen gebracht. Wij hebben nu eerst de wagen via het paard uit de Kentaur ontwikkeld. De Schutter wordt altijd als Kentaur afge­beeld en wordt anderzijds in verband met onze dijen gebracht. Dat brengt ons tot de volgende keten van betrekkingen: Kentaur, Schutter, dijen, wagen; Men ziet: men kan via een inzicht in de techniek het verband tussen de dijen en de Schutter zelfs opnieuw funderen en begrijpelijker maken.

Maar men kan met het vorige als basis ook nog iets anders vinden. In het teken van de Schutter (± 22 Nov.-22 Dec.) bereikt de zon gedurende het jaarverloop (en het dagverloop) zijn allerdiepste stand. Het grootste deel van het etmaal is het licht stralende zonnewezen dan onder de duister tastende aarde verborgen. Wanneer men zich dit nu weer in de vorm van een gemecha­niseerde afbeelding denkt, dan krijgt men weer een nieuwe kijk op de wagen. Bij de wagen vinden wij immers de bak, die de lasten draagt en zelf ook het zwaarste deel van de wagen is en die rust op de ronde bewegende, stralend gebouwde wielen. Het wagenwiel is a.h.w. ingeklemd in de aardekrachten, het heeft een dragende drukverwerkende functie. Men heeft blijkbaar in de bouw en in de werking van de wagen een afbeelding van de aarde-zonne-constellatie in de Decembertijd te zien. En zoals de zon in het teken van de Tweelingen in precies de tegengestelde situatie verkeert, d.w.z. in hoge mate vrij van de aarde en ver daarboven verheven, zo kunnen wij ook het rad in de tegengestelde situatie aantreffen, n.l. geheel en al vrij draaiend zoals bijv. bij een vliegwiel. En zoals de zomerzon de aarde ertoe brengt zich voor de kosmos te openen, zo kan men door zulk een vrij draaiend lichaam ook een technische verbinding met de kosmos in stand houden. Een voorbeeld van dit laatste is het gyrokompas en zelfs de kindertol die ondanks de zwaarte overeind blijft staan zolang hij goed draait.

Wat wij tot hiertoe besproken hebben is een duidelijk voorbeeld van iets al­gemeen geldends: Ieder belangrijk werktuig moet om het geheel te doorgron­den, tenminste in drievuldig verband gezien worden en wel met het menselijk lichaam, met een dier en met een kosmische constellatie.

De wagen staat op deze wijze in verband zowel met onze bovenbeenderen, als met het paard als met de zonne-aarde-constellatie in begin December.

Nu springt ook de gewichtige betrekking in het oog tussen het rad en de zon. Vroeger moet men daarvan iets geweten hebben, want men vindt herhaal­delijk afbeeldingen van wagens, waarbij de naaf, het midden van het wiel, met een zon is versierd.

Men kan de raderen in hun verschillende vormen van gebruik blijkens het vorige vergelijken met de verschillende constellaties van de zon ten opzichte van de aarde. Wanneer men de wagen moet zien als een afbeelding van de constellatie tijdens de diepste zonnestand, dan moet men in het vliegwiel een afbeelding zien van de constellatie tijdens de hoogste zonnestand. Men zou dit in een soort evenredigheid uit kunnen drukken:
Vliegwiel : wagenwiel = zon in hoogste stand : zon in laagste stand.
En ook het volgende mag men als waarheid beschouwen: naar hun bewegings­mogelijkheden verhouden zich het vliegwiel en het wagenwiel als onze armen en benen.

Uit al het vorige blijkt wel dat men niet zozeer in het stilstaande rad als wel in het draaiende een afbeelding van de hemellichamen en speciaal van de zon mag zien.

h. Rad en mensen-ik

Telkens opnieuw moet de vraag gesteld worden: wat is toch het geheim van het rad en waarom betekende het zulk een geweldige stap, toen het toegepast werd? In de levende natuur vindt men nooit raderen als onderdeel van een organisme, terwijl men wel alle mogelijke andere werktuigen bij de dieren en zelfs bij de planten aantreft. Een levend wezen is immers steeds een ononderbroken ge­heel. Ook wanneer een poot of een nek zeer vrij bewegelijk zijn, dan is er toch een doorgaande levensstroom, die dit deel met het geheel verbindt. Zodra werkelijk een doordraaiende beweging geforceerd wordt, wordt het deel uit het geheel losgescheurd en wordt dus het geheel vernietigd.

Allerlei trucs bij het vechten, zoals het polsomdraaien, berusten er op dat het organisme deze beweging niet verdraagt. En dit is nu juist hetgeen wij in verband met het ontbreken van het rad bij de Azteken betoogd hebben: de ontwikkeling van het rad moet gezien worden op de achtergrond van de losmaking van een deel uit een geheel, van de mens uit de innige verbinding met de natuur. Alleen de mens, voorzover hij in zijn ik een afsnoering uit het wereldgeheel doorgemaakt heeft, is in staat het rad toe te passen. En evenals het ik ondanks zijn afgesnoerdheid toch een geheel is dat de wereld spiegelt, zo vertoont ons ook het rad in zijn ronde vorm en zijn beweging een beeld van het geheel van de wereld. Gelijk het ik “draait het om zijn eigen as” en eveneens gelijk het ik is het een afbeelding van het wereldgeheel.

Het rad treedt dus op als een soort symbool van het mensen-ik. Het begeleidt in zijn ontwikkeling de emancipatie van het ik. De ik-ontwikkeling, respectie­velijk het ontbreken daarvan, bij de vroegere bewoners van Amerika, zou in verband met het ontbreken van paarden en met het niet toepassen van het rad grondig bestudeerd moeten worden. Aan het einde van de 19e eeuw, wanneer de tijd van de vrijheid werkelijk aangebroken is, ontwikkelen zich de automobielen. Er is een overeenkomst tussen de auto en het mensenwezen, dat zich van zichzelf uit bepaalt. Rudolf Steiner wijst er zelfs ergens op, dat het moderne ik automobiel, zichzelf bewegend, zou moeten zijn.

i. Kentaurenstrijd in onze tijd

Als een hoogst merkwaardig historisch symptoom mogen wij wel het optreden van de schilder Böcklin beschouwen. In dezelfde tijd, waarin het Darwinisme in de wetenschap op weg was het verschil tussen mens en dier definitief uit te wissen, zien wij Böcklin op onovertrefbare wijze wezens schilderen, die half mens, half dier zijn. Wij zien bij hem prachtige taferelen met zeemeermin­nen. faunen, sirenen, kentauren. Wanneer wij die bepaalde zijde van het Dar­winisme in het oog nemen en letten op de gevolgen, die er van uitgegaan zijn, dan zien wij daarin steeds duidelijker een machtige impuls tot verdierlijking van de mensheid werken. Böcklin schilderde juist die wezens, die vervuld zijn van een tragische drang zich het menszijn te veroveren. Wij moeten zijn werk veeleer als een maning en een waarschuwing opvatten. En te meer is dit het geval daar men herhaaldelijk aangrijpende mysteriebeelden in zijn werk ziet binnenstralen.

Zulk een waarschuwing en maning gaat bovenal van zijn “Kentaurenkämpfe” uit. Met mateloos geweld woeden temidden van een wilde storm enige paard-mensen tegen elkaar. Zij smijten met rotsblokken, zij worstelen, stampen en bijten. Een beeld van de meest zinloze verwoestende strijd, want er is niets waarom ze vechten.

Wanneer beeldden de Grieken hun strijd met de Kentauren uit? Ten tijde van de Perzische oorlogen, toen zij de taak hadden de ontwikkeling van het mo­derne Europese persoonlijkheidsbewustzijn te behoeden tegen de verouderde Aziatische massa-impulsen. ((vgl. Gottfried Richter: Ideen zur Kunstgeschichte)) Wat zien wij in onze tijd, niet lang nadat Böcklin zijn “Kentaurenkämpfe” heeft geschilderd? Eveneens geweldige oorlogen en nu met het gevolg, dat het met zo veel moeite veroverde zelfbewustzijn door hernieuwde horde-impulsen verzwolgen dreigt te worden.

Wij worden bedreigd door een soort omdraaiing van de Griekse geschiedenis. Toen werden de Kentauren teruggedrongen en de bruid werd gered, nu be­staat opnieuw het gevaar, dat de bruid geroofd wordt.

Böcklin heeft werkelijk het wezen van de moderne oorlogen uitgebeeld. Het gaat daarbij om gevechten tegen Kentauren en van Kentauren tegen Ken­tauren. De hele oorlogvoering wordt immers meer en meer gemotoriseerd. Mensen in motorrijtuigen zijn de moderne Kentauren, zij worden echter niet meer voortgezweept door de dierlijke driften van het paardenlichaam, maar door de kracht van hun kunstpaarden. Wanneer deze voertuigen niet alleen voortrennen, maar bovendien al rijdende schieten, dan is het of het schutterteken zelf in vermechaniseerde vorm aan het gebeuren op aarde deelneemt.

De Schutter is de grote jager, die in volle vaart zijn doel treft en dikwijls is hij zelfs de wilde jager. Een mensheid, die zijn zwaarste problemen tracht op te lossen door rennen en schieten is bezeten door wild geworden schutterkrachten.

Nauwelijks heeft de mensheid zich moeizaam bevrijd van de directe leiding door de goddelijke machten, nauwelijks is de Kentaur tot paardenmenner ge­worden, of de mens gaat een nieuwe kentaurachtige verbintenis aan. In de plaats van het dier treedt de gemotoriseerde wagen. De mens, door het “boven­natuurlijke” losgelaten, geeft zich over aan de krachten van de “Unternatur”.1

Voor iemand, die niet speciaal geschiedkundig geschoold is, zoals de schrijver, is het moeilijk deze dingen onfeilbaar te beoordelen, zij maken echter de in­druk alsof het Egyptisch-Chaldeeuwse tijdperk aan het herrijzen is in een ge­mechaniseerde vorm2. Voor de Griek was dat tijdperk een verleden dat vertegenwoordigd werd door de Kentauren; wij hebben een tijdperk voor ons, dat door een soort Kentauren aangekondigd wordt.

k. Techniek en mythologie

Deze laatste dingen wijzen er op, dat de techniek in de plaats geschoven is van die krachten, die zich eens in mythologische beelden openbaarden. En zo­als wij aan de mythologie de hoogste wijsheid aflezen kunnen, wanneer wij maar de juiste sleutel hebben, zo kunnen wij dit ook aan de techniek. De levende beelden van de mythologie moeten wij daartoe laten verdorren tot moderne gedachten. Van de technische apparaten en van de abstracte ge­dachten, die daarin verwerkelijkt zijn, moeten wij daarentegen de levende oor­sprong zoeken, zoals wij dit getracht hebben te doen.

De sleutel tot de techniek als wijsheidsspiegel, kunnen wij natuurlijk alleen vinden met behulp van het heilige weten, dat de antroposofie ons mogelijk maakt. Het diepste, het hoogste, het verst reikende is nodig om de techniek werkelijk te doorgronden.

l. De verovering van Mexico in het teken van de Schutter

Aan het slot van deze verhandeling wil ik nog een hoogst treffend historisch symptoom naar voren brengen, niet als een volkomen gefundeerde stelling, maar half als hypothese.

Bij het bestuderen van de verovering van Mexico valt het een ieder op, dat Cortez zich eigenlijk voor een onmogelijke taak geplaatst zag. Hij stond im­mers met een klein leger tegenover een machtig strijdvaardig volk. Dat hij toch geslaagd is dankt hij ten dele aan zijn karakter en ten dele aan de middelen waarover hij beschikte. De taaiheid, de vaardigheid, de doelbewustheid, waarmee hij te werk ging, wijzen op het schutterteken! Toen ik indertijd bezig was de Schutterpsychologie af te tasten, zweefde hij mij als een der meest karakteristieke voorbeelden voor de geest. Hij heeft de kunst verstaan op het niets een nieuwe wereld te grondvesten. Te midden van de volkomen ondergang van een oude wereld en op de ruïnes daarvan, heeft hij zijn eigen rijk gesticht. Gewoonlijk verklaart men zijn succes mede uit de aanwezigheid van paarden en kanonnen. Zijn ruiterij en zijn schietwapenen veroorzaakten schrik en verwarring en zelfs duurzame angst. Eens, zo wordt er verteld, won hij zelfs een slag die eigenlijk al verloren was, doordat er een ruiter van zijn paard viel. De Indianen moeten gemeend heb­ben, dat er een machtig kentaurachtig wezen in twee stukken uiteenvloog en werden door een panische schrik bevangen. Wanneer de Indianen een man te paard als één enkel wezen zagen, duidt dat op een volkomen andere bewustzijnstoestand dan de onze. Indien dit verhaal juist is, is het een teken, dat zij een zeer zwak analyserend vermogen hadden. Anders gezegd: Zij beschikten vermoedelijk nog sterk over het vermogen on­middellijk gehelen gewaar te worden, terwijl het persoonlijke denken niet vol­doende kracht ontwikkelde om met scherpe begrippen duidelijke contouren aan te brengen. Zij hadden nog een kentaurachtig bewustzijn in de Griekse zin. Men ziet uit dit alles: de verovering van Mexico heeft in hoge mate in het teken van de Schutter gestaan: de kentaurachtige gesteldheid van de Azteken werd bedwongen door een man met Schutterkarakter, die bovendien met Schuttermiddelen werkte (schietwapenen, paarden, raderen).

m. Oostelijke en Westelijke impulsen in de ontwikkeling van de techniek

Tot slot moet nog eens de vraag gesteld worden: Hoe kon de sterkste im­puls tot mechanisatie uitgaan van volkeren, die juist op dat gebied “achterlijk” zijn geweest.

Iedere mechanisatie berust ten slotte op het feit dat het denken, dat van oor­sprong levend is en met het leven der wereld in verbinding staat, tot verdorring gebracht wordt. De graad van mechanisatie, waartoe men in staat is, hangt af van de graad, waarin men het leven in zijn denken en doen weet te onder­drukken. De scholing tot mechanisatie is dus intensiever naarmate men meer direct het leven in zijn kern aantast. Hadden de Indianen nu reeds van tevoren over het vermogen tot abstractie beschikt, d.w.z. hadden zij reeds te voren de dood op een meer soepele wijze in hun wezen toegelaten, dan hadden ver­moedelijk al die offermanipulaties veel minder sterk op hen in kunnen werken. Nu moeten zij maar weinig innerlijk verweer tegen deze dingen gehad heb­ben, zodat de duistere magische invloeden hun met een onbeschrijfelijk geweld aan konden pakken. Hun overmatig levende constitutie werd aan de meest heftig werkende doodsrituelen blootgesteld, zodat zij a.h.w. een machtige ruk ondergingen.

Tijdens de grote cultuurtijdperken in de oude wereld, waarvan de centra zich geleidelijk van Oost naar West verplaatsten, zien wij een welgeleide langzame omvorming van het mensenbewustzijn. Eerst was de aandacht nog bovenal gericht op de goddelijke machten, later steeds meer op de uiterlijke wereld. Dit ging gepaard met het ontwaken van het persoonlijke verstand. Dit kan ook gekarakteriseerd worden als een geleidelijk verloren gaan van het leven in het denken. Aanvankelijk dacht men in beelden en in grote gehelen, later trad meer en meer het vermogen tot analyse op. Daar in het Westen heeft men deze geleidelijke verdorring van de levens­krachten tot ze als basis voor het abstracte denken konden dienen niet gekend. Maar wel heeft men gepoogd de mens uit zijn verbinding met de goede schep­pende machten los te scheuren en zijn krachten nog in levende vorm in dienst te stellen van demonische machten. Het leven in dienst van de dood! In het Oosten heeft de dood ook zijn taak gehad en wel in de eerste plaats om de ontwakende denkkrachten vorm te geven. Naar de inhoud bleven zij nog lange tijd in hoge mate op het levende goddelijke gericht. Het is niet eenvoudig vast te stellen tot hoe ver de “natuurlijke” gang van het Oosten uit reikt en waar de sporen van de Mexicaanse impulsen in de techniek optreden.

Zoeken wij een technische afbeelding van de wijze waarop daareven van de ontwikkeling uit het Oosten gekenschetst is, dan zou dit overeenkomen met de ontwikkeling van de wagen, die juist tot aan het verbreken van de verbin­ding met het paard gaat, maar niet verder.

Is dit laatste juist, dan zouden wij zeer speciaal op de scherpe overgang van de wagen met het paard ervoor naar de wagen, die zichzelf beweegt, moeten letten. In die overgang komt het feit tot uitdrukking dat de mensheid bezig is in het denken de laatste verbindingen met de scheppende machten te ver­liezen. Wij zijn dan in het tijdperk van het materialisme aangeland. Het god­delijke vormt zelfs geen inhoud meer voor het denken. Het is zeer goed denkbaar dat de scherpe ruk, die de Mexicaanse mysteriën op het mensenwezen uitoefenden bij deze overgang als impuls meegewerkt heeft. In ieder geval lijkt het resultaat in overeenstemming met de idealen van die mysteriën te zijn. (Mechanisatie van het hele leven — afsnoering van het goddelijke).

En wanneer wij nu het voorlopige eindpunt van de ontwikkeling van de wagen in het oog nemen, de oorlogstanks, dan zijn dit ongetwijfeld niet onverdienste­lijke afbeeldingen van die idealen. De mens in de tank is immers met een machtige ijzerlaag van de omgeving afgesloten. Normaal waarnemen is alleen door het lawaai al niet mogelijk. Van meeleven met iets uit de omgeving kan dus geen sprake zijn. De baan, die zulk een monster beschrijft is geken­merkt door zware beschadigingen aan de bodem en zelfs aan de wegen. Het enige doelbewuste contact van de mens daarbinnen met de omgeving komt door middel van het kanon tot stand. Hij kan dus alleen hetzij onwillekeurig hetzij doelbewust dingen uit de omgeving vernietigen.

De tank toont ons in beeld waar het heengaat, wanneer het mensen-ik werke­lijk geheel geïsoleerd raakt zonder dat er een nieuwe weg tot de wereld ge­zocht wordt. Strijd en vernietiging, wilde “Kentaurenkämpfe” in de zin van Böcklin. zijn de enige consequenties.

n. Perspectieven

Wij zien veel dingen om ons heen, die in deze richting gaan, maar wij kunnen ook duidelijk de gevolgen onderscheiden van het feit, dat de grote stootkracht van de boze impulsen in Mexico tijdens het mysterie van Golgotha gebroken is. Wij zijn met ons bewustzijn immers nog niet vervallen aan de greep van de machten, die door de techniek werken. Wel gaan er machtige neerhalende werkingen van uit, maar ook worden ons grote mogelijkheden geboden.

Welke diensten worden er ons niet door de techniek bewezen bij de ver­spreiding van de geesteswetenschappelijke ideeën: over welke, mogelijk­heden tot internationale uitwisseling kunnen wij niet beschikken!

De vorm, die de samenleving onder invloed van de techniek aanneemt, roept ons op tot de diepste bezinning. Een hele reeks brandende vragen rijst daardoor in ons bewustzijn op. Wij noemen er enkele: Wat is het wezen en de oor­sprong van de techniek? — Welke invloeden heeft de techniek op ons leven en hoe moeten wij de dingen inrichten, dat alles zo veel als mogelijk ten goede gekeerd wordt? — Is er voor onze samenleving nog een weg naar een toe­komst, waarin de techniek niet een leidende maar een dienende rol speelt? Om zulke vragen te beantwoorden moeten de eisen, die de toekomst stelt, ons zeer duidelijk voor ogen staan. Rudolf Steiner spreekt over deze dingen als volgt:

“Das Zeitalter braucht eine über die Natur gehende Erkenntnis, weil es innerlich mit einem gefährlich wirkenden Lebensinhalt fertig werden muss, der unter die Natur heruntergesunken ist. Es soll hier natürlich nicht etwa davon gesprochen werden, dass man zu früheren Kulturzuständen wieder zurückkehren soll, sondern davon, dass der Mensch den Weg finde, die neuen Kulturverhältnisse in ein rechtes Verhältnis zu sich und zum Kosmos zu bringen.”3 De genoemde vragen kunnen maar zeer ten dele in de sfeer van het denken beantwoord worden. Voor het grootste deel zullen de antwoorden door de daad, door de opbouw van een nieuwe cultuur en door het leven temidden daarvan gegeven moeten worden.

Het vrij geworden mensen-ik staat tegenover een half-vertechniseerde samen­leving. In vele opzichten dankt het zijn mogelijkheden tot het gebruik van de vrijheid zelfs aan deze vertechnisering. Dit op zichzelf legt ons reeds grote verplichtingen ten opzichte van de techniek op. Wij moeten zorgen dat de tech­niek niet ongeremd steeds verder wegzakt in de sfeer waar de begeerte en de wil tot macht gepaard aan een ijskoude berekening en al het andere overheersen. Door ons te verheffen tot het terrein van de antroposofie, kunnen wij op basis van ons volle zelfbewustzijn opnieuw de verbindingen met het goddelijke tot stand brengen. Wij veroveren ons dan iets terug wat de Griek in de tijd waarvan de strijd tegen de Kentauren spreekt, achter zich liet. Zoals de Griek zich van het paard wist te bevrijden en het in getemde vorm dienstbaar maakte aan zijn menselijke ontplooiing, zo kunnen wij ons van de macht van de machines bevrijden en hen dusdanig in dienst nemen en con­troleren, dat wij de techniek meenemen in onze ontwikkeling. Wij brengen dan niet alleen een innerlijke verbinding met de goddelijke wereld tot stand, maar de macht van de regelrecht voortschrijdende goden zal dan tot in het uiterlijke leven toe ordenend, genezend en verlossing brengend door kunnen werken.


  1. Zie de laatste der “18 Briefe” van Rudolf Steiner 

  2. zie: Rudolf Steiner: De geestelijke leiding van mens en mensheid 

  3. Zie “Das Michael-Mysterium”, laatste brief 

Bron: Mededelingen van de Anthroposofische Vereniging in Nederland 8 (1953) 5, p. 85-91