De kerstboom en de moderne techniek

Ieder jaar wordt het Kerstfeest gevierd door het planten van de strenge, sombere boom in de kamer.
Onder alle planten dragen de naaldbomen wel het meeste een stem­pel van de loden last van het verleden. Een sparrenwoud spreekt tot ons met de diepste ernst. Het feit, dat wij onze boom met kleurige dingen versieren, geeft reeds een weldadige indruk, want het be­tekent een zekere overwinning van een al te grote eenzijdigheid. Maar pas wanneer wij de kaarsen ontsteken, verrichten wij werke­lijk een diepe handeling. Eigenlijk moest men dit doen in een grote, donkere ruimte en dan bij een boom, die niet zijn strengheid heeft verloren door zinledige opsmuk. Heel stil en teer zou dan lichtje na lichtje ontvlammen en aanduiden hoe alleen in de diepste duisternis het heilzame Kerstlicht kan opstralen.

Bij de groeiende plant vindt men twee stromingen. De wortels nemen het bodemwater op, dan wordt het bijeen gedragen in de stam of de stengel en weer uiteengeleid in de takken en bladeren tot het grotendeels weer als damp in de lucht verspreid raakt. De bladeren nemen weer uit de lucht het koolzuurgas op en verwerken de koolstof daaruit met behulp van water en zonnegloed tot suiker. De suiker wordt met de tweede stroom naar de verdere plant vervoerd en daar verwerkt tot het vaste bouwmateriaal van de plant. Dank zij de op­gaande stroom kan de plant zich steeds verder ontplooien, dank zij de neergaande stroom wordt er vastheid en structuur aan de week-zwellende organen gegeven. De opstijgende stroom komt uit de don­kere bodem en verspreidt zich in het lichtgebied; de andere stroom ontspringt in het licht, maar de stof wordt vooral omlaag geleid en naar het midden toe en tot een donkere aardse toestand verdicht. Wij kunnen als uiterste daarbij denken aan hout of aan boomschors.

Door het hele voorjaar heen, wanneer de zon oprijst uit de donkere diepte der aarde, overheerst de opgaande stroming die ontplooiing brengt. Zodra de zon weer gaat dalen is ook de groei van de bomen geheel afgelopen. Nu gaat de tweede stroom overheersen, waarbij veel stof wordt verzameld, verdicht en omlaag geleid.

Er zijn planten die zich vooral door de eerste stroom laten bepalen, zoals de vetplanten en de slingerplanten. De naaldbomen groeien zo alsof zij deze stroom zoveel mogelijk willen terugdringen en alleen de verdichting, de verharding, de gang in de duisternis naar voren laten komen. Men vindt hier nooit weke delen en iedere vorm van zwelling en verbreding wordt zorgvuldig vermeden. Een ieder weet van de geurige hars van de naaldbomen, maar men bedenkt meestal niet, dat deze in kanalen in het hout is te vinden. Op een plaats waar meestal alleen het watervervoer plaats vindt, wordt een zeer brand­bare stof afgezet. De werking van het water wordt sterk getemperd, maar tot in het hoge noorden toe wordt vurige zonnekracht tot in fel brandbare substanties verdicht.

De sparrenboom is een volkomen uitdrukking van de gebeurtenissen die zich gedurende het najaar tussen zon en aarde afspelen. Het is de tijd waarin de zonnewerking diep neerdaalt in de dichte, donkere aardematerie. Door nu de Kerstboom te ontsteken verrichten wij een handeling, die een afbeelding is van de winterzonnewende. Aan de boom waarin de hemelgloed gekluisterd is, worden door de vlammetjes de verborgen zonnekrachten vrijgemaakt. Men zou zelfs van een genezingsproces willen spreken. Bij de boom, die bij zijn groei de donkere processen van verdichting en verharding al te veel plaats inruimt, laat men de stof van de kaars verteren en tot helder licht opglanzen.

Het met wijding ontsteken van de Kerstboom is een handeling die ons midden in de stroom van onze cultuur plaatst. Het is nog geen tweehonderd jaar geleden sinds de Kerstboom zich meer en meer onder de mensen verspreidde. De grote intocht van de Kerstboom valt samen met het tot een hoogtepunt opstijgen van het materia­lisme. Wij zijn nu door de techniek in staat geweldige energieën uit de materie vrij te maken als dragende, voortstuwende kracht van onze civilisatie.

Eens, in oertijden is de aarde uit een veel ijler en ook veel levender toestand verdicht. Geleidelijk is er een zekere verdichting, verhar­ding en verschrompeling ingetreden. In steenkool en petroleum hebben wij uitscheidingen te zien van oerlevensprocessen. Men treft hierin resten van zonnelevensenergie aan, die gedurende eonen in de aarde hebben gerust.

Het is kenmerkend voor de tegenwoordige tijd, dat de mensheid zich heeft afgewend van een begrip voor het licht, het ware zonnige, maar steeds meer tracht de onderaardse, neergedaalde zonnekracht uit vroegere tijden te gebruiken. Dit gebruik is wel een soort verlossing en bevrijding, maar door de willekeurige en vaak vernietigende wijze waarop dit gebeurt, is er weinig blijmoedigs, weinig heilzaams mee verbonden.

Schiller wees er in zijn brieven over ‘die ästhetische Erziehung’ op, dat de mens leeft temidden van een tweevoudig krachtenspel, dat hem tot een onvrij, gebonden wezen maakt. Hij vatte deze krachten samen onder de begrippen ‘Formtrieb’ en ‘Stofftrieb’. Wij zullen deze tweeheid hier het gebied van de vorm en het gebied van de stof noemen. Aan het gebied van de stof is de mens gebonden door zijn zintuigen en alles wat zich daarbij onmiddellijk aansluit, zoals driften, hartstochten, begeerten. Aan het gebied van de vorm is hij gebonden door zijn logische gedachten en door de inzichten in de wetten, die de natuur en de samenleving beheersen. Op het éne ge­bied heerst een sterk krachtenspel dat dwang op hem uitoefent, op het andere gebied kan hij alleen iets bereiken indien hij zich voegt naar de wetten. Het is duidelijk, dat wij hier een grote levenspolariteit voor ons hebben.

Hoe is het mogelijk met deze beide gebieden te leven en toch tot het ware menszijn op te stijgen, dat alleen in een sfeer van vrijheid mogelijk is? Dit is de grote vraag, die Schiller zich stelde. Hij vond het antwoord op een derde gebied, dat van de ‘Spieltrieb’, die bovenal in het gebied van de kunst thuis is. Een waar kunstwerk spreekt tot ons door de zintuigen, maar op zo’n manier, dat het hogere in ons wordt aangesproken, terwijl de begeerte tot bezit en andere harts­tochten blijven rusten. Bovendien aanschouwt men in de sfeer van de zintuigen, dus in het gebied van de stof onmiddellijk de wetten, de ideeën, waarnaar de kunstenaar zich heeft gevoegd. De kun­stenaar, voor zover hij zich verheft tot de ware scheppende fantasie is mens in de beste zin des woords. Hij is bezig op het gebied van de zintuigen, maar hij laat zich niet binden door het krachtenspel en hij voegt zich naar de idee, maar hij spreekt deze niet uit in abstracte vorm, als wet. Hij maakt gebruik van vermogens, waarover een gezond kind vrijelijk beschikt.

Iemand die machines construeert, is volkomen gebonden door het gebied van de vorm. Hij moet onvoorwaardelijk bukken voor de strenge wetten die hij al experimenterend en denkend vindt. Is de machine eenmaal gebouwd, dan vervalt deze maar al te gauw aan het gebied van de stof. Hij wordt dan in dienst gesteld van de driften en begeerten. Welk een exactheid, welk een kundigheid heeft er geheerst bij het construeren van een bromfiets of een geluidsversterker en welk een wildheid gaat er met het gebruik ervan gepaard. Een groot deel van de middelen waarmee wij tegenwoordig macht over de natuur uitoefenen, berust op het toepassen van min of meer beheerste explosies. De uitvinding en het gebruik van buskruit, schietkatoen, nitroglycerine (dynamiet) en dergelijke, verder het gebruik van mengsels van lucht en benzine of olie in motoren is telkens van de meest ingrijpende betekenis geweest.

Beschouwt men de werking van een schietwapen of een benzine­motor nader, dan kan men zelfs vinden dat zulke apparaten een soort symbolen zijn voor een wisselwerking van de ‘Formtrieb’ en de ‘Stofftrieb’, die door niets worden bemiddeld. Het stofgeweld wordt door de vormende macht van de machine tot dienstverrichting ge­dwongen. Maar een schietwapen kan ook uit elkaar vliegen. De machine zelf gehoorzaamt met de grootste exactheid aan strenge wetten, de brandstof en het explosiemiddel kunnen de hevigste stu­wende kracht voortbrengen.

En in het openbare leven kent men nauwelijks andere middelen om de gang van de gebeurtenissen te leiden. Men roept onwillekeurig steeds wildere krachten op, ziet nauwelijks kans ze om te vormen en te veredelen en dan blijft de enige mogelijkheid ze te bannen door een strenge orde. Men tracht telkens opnieuw de doffe opstuwende wilskrachten te leiden en in bedwang te houden met abstracte denk­beelden. Het gevolg is, dat de hele samenleving steeds meer explosief karakter krijgt. Op alle gebieden is onze tijd groot door het leven met polaire werkingen, waartussen niet op heilzame wijze wordt bemiddeld.

Richten wij ons nu weer tot de Kerstboom. Wanneer wij de kaarsen aansteken begint ook daar de bevrijding van wat eens in de stof ge­bannen is, maar nu zo, dat er een werking van uitgaat als van een kunstwerk, ja, zelfs als van een religieuze handeling. Geen mens ter wereld zal zijn Kerstboom ontsteken om macht te ontwikkelen of voor bevrediging van stoffelijke behoeften. Men dwingt de natuur niet, maar gaat mee met wat als neiging in de dingen verborgen is en stelt tenslotte zichzelf en de natuur in dienst van het goddelijke. Ook de Kerstboom is ingericht volgens de strenge wetten en daardoor behoort hij tot het gebied van de vorm. Hij spreekt tot ons door de zintuigen, die weer bij het gebied van de stof behoren. Staat men er voor, dan krijgt men indrukken van iets zeer hoogs en nergens is dwang of iets gedwongens. Men wordt weer als een kind, dat zich verheugt over het wonder dat het al spelend uit de dingen tevoorschijn tovert. Men begrijpt, dat men alleen door te zijn gelijk een kind het hemelrijk kan binnengaan. Ook daarom behoort onder de Kerstboom de krib te staan.

De Kerstboom behoort tot deze tijd, waarin de mensheid zo sterk op de natuur is gericht. Hij is als een teken van de mensheidsleiding, als een ideaal dat vóór ons is geplaatst. Van hem kunnen wij leren hoe wij met de materie op heilzame wijze kunnen omgaan. Op deze wijze wordt het beeld van een cultuur opgeroepen, waarin de ma­terie zó wordt gebruikt, dat men haar in dienst stelt van het god­delijke en haar dus niet meer knecht, maar verlost. In een cultuur die zich zo hoog verheft, kan het goddelijke kind waarachtig binnen­treden en de wilde krachten temmen.

Tot zover is dit artikel een weergave van een opstel dat in een tijd geschreven werd eer dat er sprake kon zijn van een technische toe­passing van de atoomsplitsing.1 Wie waarlijk begrip wil ontwikkelen voor de gang van onze cultuur, zou moeten zien dat een dergelijke nieuwe cultuur in kiemvorm reeds lang bezig is zich te ontplooien. Bij het potentiëren van stoffen worden ook verborgen krachten vrij gemaakt evenals bij de atoomsplitsing, maar nu zo, dat deze geheel in dienst van genezing en innerlijke ontwikkeling kunnen staan. De blik van de mensen is zozeer gebannen door het geweld van de atoomsplitsing, dat men niet ziet hoe deze slechts het tegenbeeld is van de ware, de heilzame technische ontwikkeling, die in een be­scheiden vorm begonnen is.

Maar ook in het milieu van de gangbare techniek komen soms ver­rassende dingen naar voren, die gaaf en edel zijn en zelfs in zeker opzicht een ideaal belichamen. Hiertoe behoort de moderne kaars. Men denkt er meestal niet aan, dat niet veel meer dan 100 jaar geleden de verlichting nog in hoofdzaak met behulp van kaarsen alleen plaats vond. Goethe zal ’s nachts nauwelijks over iets anders beschikt hebben. En dat waren niet eens kaarsen met zulk rustig licht als waarover wij nu beschikken. Telkens opnieuw groeide de pit te veel door en begon de vlam dof te worden en te roeten. Het is verrassend met welk een simpele kunstgreep dit kwellende euvel werd overwonnen. Iemand vlocht de pit uit drie draden, waarvan er één korter was dan de andere. Door de spanning die dit opleverde werd de vrijgekomen pit kromgetrokken en opzij gericht. Aan de grens van de vlam begon de pit nu weg te gloeien, zodat hij zichzelf op de juiste lengte hield. Daarmee was het ‘snuiten’ overbodig ge­worden. Men had bij feesten of bij toneelvoorstellingen geen ‘rare snuiter’ meer nodig, die het licht voortdurend op peil moest houden.

Een tweede zaak, die pas het hoge peil van de tegenwoordige kaars heeft mogelijk gemaakt, is de weloverwogen samenstelling. Vroeger had men waskaarsen voor gewijde doeleinden, terwijl men in het da­gelijks leven vetkaarsen gebruikte. Deze dropen erg en verspreidden bovendien een hinderlijke stank. Later heeft men het vet gesplitst en het vrijgekomen vetzuur, het stearinezuur, met paraffine, een aardolieproduct, gemengd. Aan deze ontwikkeling danken wij het rustige licht, waardoor een kaars pas goed geschikt is ook op gewijde plaatsen gebruikt te worden.

In een goede kaars is zoveel zorg aan de samenstelling en de constructie besteed, dat er een volkomen evenwicht is tussen de hoeveelheid kaarsvet, die smelt en de hoeveelheid die door de pit wordt weggezogen en door de vlam verteerd.

Tot slot nog een verrassend feit. Niets ligt de moderne wetenschap verder dan uit te gaan van de vier elementen. En toch berust het edele beeld van een brandende kaars op een harmonische samen­werking van de elementen. De kaars zelf vertegenwoordigt het aarde-element, het gesmolten kaarsvet het water-element; de ver­damping rondom de pit laat het luchtelement naar voren komen en door het vuur wordt alles op gang gehouden en de stof verteerd.

Zelfs de orde, waarop Rudolf Steiner heeft gewezen, het verband tussen de vier elementen en de vier ethersoorten wordt door de kaarsvlam aangeduid. Geheel aan de buitenkant is een zoom van donkere warmte. Door deze met wat keukenzout aan te tippen kan men hem zichtbaar maken. Daaronder vindt men de zone van het licht. Nog dieper vinden de eerste chemische ontledingsprocessen plaats, waardoor pas dit lichten mogelijk wordt.

Zodra men een kaars ontsteekt, wordt deze tot een knooppunt van krachten en werkingen, die de gehele natuur vertegenwoordigen. Wanneer men bedenkt tot welk een onbewuste wijsheid al de in­spanning en al het inzicht, die de kaarsvlam hebben mogelijk ge­maakt, geleid heeft, ziet men pas goed welk een dwaasheid het is een Kerstboom van elektrische verlichting te voorzien. Alleen wan­neer het zachte, edele kaarslicht uit stofverteringsprocessen ont­springt, wordt de zin van de Kerstboom vervuld.

Mogen er mensen zijn, die het wezen van de Kerstboom door hun inzicht behoeden en die het ontsteken steeds meer tot een cultische handeling doen worden.


  1. Een eerdere versie verscheen in december 1939 in de toenmalige ‘Mededelingen van de Antroposofische Vereniging in Nederland’. 

Bron: De Christengemeenschap 24 (1968/69) 1, p. 6-11