Ingeprente vormen bij de omgang met mensen en dingen

Een jong mens wordt op de omgang met andere mensen voorbereid, door het inprenten van beleefdheidsvormen. Deze vormen zijn in de eerste plaats daartoe bestemd de andere mens te eren en tot zijn recht te doen komen. Heeft een mens een tekort aan zulke vormen, dan dreigt het gevaar, dat hij de andere mens te weinig laat gelden en dat hij hem zelfs opzij drukt. Hoe is het op andere gebieden?

Velen kennen wel de volgende ervaring. Wanneer men voor het eerst tracht zich in het klankbeeld van een woordmeditatie of zelfs in de woordklanken apart te verdiepen, wordt maar al te vaak het geschreven of gedrukte letter­beeld in de voorstelling naar voren geschoven, zodat de aandacht wordt af­geleid van de reine klankgewaarwording. Het zal de meesten wel veel tijd en vooral veel moeite kosten eer dit stadium is overwonnen en eer het “andere woord”, dat een zuivere klankvorm is, on­gestoord door het letterbeeld, door de gangbare betekenis heen gaat spreken. Er is een tweede stoornis, die eveneens veroorzaakt wordt door ingeprente gewoonten en die men het onjuiste woord zou kunnen noemen. Een voorbeeld: Een ding, dat door de zon wordt belicht, weerkaatst de licht­stralen.

Wij plaatsen hiertegenover een machtige ervaring. Wij stonden op een basalt­glooiing, dicht boven de rusteloos woelende zee. De zon daalde langzaam neer naar de grens van het verre watervlak en gloeide reeds met milde rode gloed. Boven ons de blauwdoorzichtige hemelsluier; daar voor ons een levendig kleu-renspel over het wijde blinkende vlak. Een wonderlijk mooi blauw met donkere tekens en roodbruine glanzen. Dicht bij de oever kwamen de golven in rijen aan. Zij veerden steeds hoger tot donker dreigende wallen en stortten zich met witbruisende rand naar voren. Waar zij voorbij gingen, lieten zij telkens een blinkend, bewegend vlak, versierd met schuimtekening achter zich neer zinken. En daarover gleden wemelende vuurfiguren heen en weer. Telkens verdween het gegloei om elders weer op te lichten en eindelijk gelijk laaiend metaal tus­sen de rotsstenen aan de oever uit te vloeien.

Bij zulk een spel van de natuur kunnen wij steeds weer hetzelfde ervaren. Hoe langer wij blijven staan en hoe meer wij ons overgeven, hoe rijker het spel zich ontplooit. Men twijfelt; ziet men meer door grotere aandacht, ziet men dieper door groeiende innigheid of is de natuur werkelijk als een kunstenaar, waarin pas de hoogste geestdrift ontvlamt, wanneer de grote bewogenheid van zijn toeschouwers hem tegemoet waait? Hoe het ook zij, op zulke ogenblikken komt de natuur ons tegemoet als met een golf van vreugdevolle openbaring en in ons zelf rijst een tegengolf van diepe ontroering.

Zou iemand nu zeggen: “Zie je wel, hoe het zonlicht wordt teruggekaatst?” — dan werd veel van de heerlijkheid uitgeblust. Waarom? Omdat hij niet de ervaring tot woord liet worden, maar omdat hij met een ingeprente gedachtevorm de ervaring opzij drukte. Men ziet geen terugkaatsing, men ziet een kleurenspel en daarin uit zich de natuur.

Het is niet beleefd een ander mens in de rede te vallen, die net begint zich te uiten. Maar wij vallen maar al te vaak de natuur in de rede, eer dat zij rustig aan het woord kan komen. En evenals een gevoelig mens zal de natuur zich terugtrekken, wanneer zij onbeleefd wordt behandeld.
Alleen wanneer men bereid is, zijn eigen gedachten volkomen tot rust te brengen, kan zij spreken. Dan ervaart men iets soortgelijks als met het andere woord, dat in het ge­storven woord van de dagelijkse omgang opleeft.

Zouden wij nu tijdens het aanschouwen van zulk een zonsondergang ook nog letten op de blanke vogels, die achter ons voorbij vliegen, dan zouden wij aan­schouwen, hoe hun verenkleed de gloed van de zon met gloed beantwoordt. En tenslotte is het zo met alle dingen om ons heen. Gloed roept tegengloed op, kleur tegenkleur en zelfs duisternis tegenduisternis.
Zoekt men hiervoor naar abstracte verklaringen zoals: de zon zendt zijn licht naar al die dingen of de stralen van de zon worden door die dingen terug­geworpen, dan sterft de wereld der verschijnselen.
Vermijdt men dit, wist men juist zulke ingeprente gedachten, die zich maar al te gemakkelijk naar voren dringen, uit, dan begint men te merken, hoe overal, waar zulk een glans uit de dingen oprijst als antwoord op de zon, een verborgen leven meespeelt. En niet minder zal in het donker van de schaduwen een sterk leven ontspringen. Door zulke verschijnselen heen willen de natuur­geesten zich tot ons richten, die voortdurend vervuld zijn van de vraag: ,,kom ons toch tegemoet”.

Men kan natuurlijk alle verschijnselen ontleden en met abstracte gedachten verklaren, door bijvoorbeeld met spiegelende vlakken en desnoods zelfs met het wezenloze begrip lichtstraal te werken. En wanneer men de verschijnselen wil beheersen is het vaak zelfs nodig abstract te zijn. Maar wie eerlijk blijft, zal steeds weer merken, dat in wat de natuur ons toont, oneindig meer leeft, dan men met abstracte gedachten kan omvatten.

Het is niet eenvoudig zichzelf het vermogen eigen te maken naar willekeur abstract of niet abstract te denken. Bij een ieder, die wetenschappelijk ge­schoold is, zijn de abstracte gedachtevormen zo diep ingeprent, dat hij ze maar al te gauw aanziet voor een deel van zijn eigen wezen. De leek daarentegen is meestal te onzeker om duidelijk te onderscheiden. De meesten merken dus het verschil niet op tussen brutale gedachten en zulke, die met terughouding op de verschijnselen zijn afgestemd.
Maar zelfs wanneer men zich het vermogen te onderscheiden reeds heeft ver­overd, kost het nog veel moeite zich tegen de opdringerigheid van de inge­prente gedachten te verweren. Men voelt zich maar al te gauw door onmacht bevangen.

Dit plaatst ons voor de merkwaardige vraag: Zou het puur verlies zijn, dat de ingeprente beleefdheidsvormen zo afgestompt raken? Misschien biedt dat nu juist een zekere mogelijkheid het verschijnsel, dat de andere mens voor ons is, onbevangen tegemoet te treden. Dan zou hij op zijn beurt zich onbevangen kunnen uiten in woord en gebaar. Door de verschijning heen zou de weg tot zijn wezen beter gebaand kunnen worden.
Wanneer deze mogelijkheid gezien wordt, kan een scholing tot openheid tegenover de natuur een nieuwe openheid van de medemens met zich mee­brengen.

Door zulke beschouwingen wordt het duidelijk, hoezeer het denken, het spreken en niet minder het schrijven met grote verantwoording gepaard gaat. Wij zouden voortdurend wakker moeten zijn en steeds streven naar de juiste voor­stelling en het juiste woord. Wij kunnen daardoor bijdragen, dat anderen en vooral onze kinderen een zuivere verbinding met de wereld om hen heen krijgen; maar wij kunnen ook zo denken en ons uiten, dat wij voor hen telkens schermen laten neerzakken.

Het is een groot ideaal zo doorlaatbaar te worden, dat het wezen van de ver­schijnselen of zelfs de wezens, die in de verschijnselen leven, kunnen uit­stromen in onze gedachten, in onze taal.
Men schole zich aan zulke verschijnselen als in het begin werden beschreven. Men zal een schat aan indrukken opdoen, die vroeger wegbleven en men werkt aan een innerlijke houding, die het hele leven doet toenemen in rijkdom en vruchtbaarheid.

Bron: Mededelingen van de Anthroposofische Vereniging in Nederland 20 (1965) 7/8, p. 153-155