Artikelen

De jonkvrouw aan de oever. Een Paasbeschouwing

Toen Rudolf Steiner begon met de voordrachtenreeks, waarmee hij de basis gaf voor de pedagogie die bij deze tijd hoort, sprak hij er al spoedig over, dat de mensen in onze tijd een toegang tot het voorgeboortelijke leven moeten vinden, omdat anders het egoïsme in zijn boze uitingen te veel de overhand zal nemen. Wij zullen zien hoe dit vraagstuk voor ons door onze speciale volks­aard nog eens speciaal van belang is. Lees verder

Bron: Mededelingen van de Anthroposofische Vereniging in Nederland 4 (1949) 4, p. 53-60

De perspectief als weg tot het hoogste. Leonardo nog steeds onze voorganger

Wanneer men iemand vraagt: “hoe komt het, dat de lichtbundels, die bij lage zonnestand tussen de wolken doordringen, naar alle zijden uiteenstralen”, dan zal hij als regel antwoorden: “maar dat is nogal vanzelfsprekend, want zij gaan toch van de zon uit.” Wanneer men dan zegt, dat die bundels in waarheid evenwijdig lopen en in ’t minst niet uiteenstralen, zal men vaak de grootste verbazing en zelfs twijfel ontmoeten. Lees verder

Bron: Mededelingen van de Anthroposofische Vereniging in Nederland 17 (1962) 2, p. 25-33

De vrouwenmantel. Het waterspel en de tria principia

a. De tria principia als weg

Bij onze tocht door Noorwegen deze zomer werd ik als door een schok getroffen, toen ik bij een waterval, die ver in het rond een fijne sproeiregen verspreidde, een groot aantal vrouwenmantelplantjes aantrof. Wat ik toen onmiddellijk vermoedde, bleek al spoedig juist te zijn. Op elke overeenkomstige plaats was dat plantje te vinden. Als een bekroning van een vele jaren durend zoeken en tasten stond dit schijnbaar weinig zeggend feit voor mij. Het was een grootse bevestiging van inzichten, die tot de meest kostbare behoorden. Lees verder

Bron: Mededelingen van de Anthroposofische Vereniging in Nederland 11 (1956) 6, p. 93-100

De herfsttijloos

De herfsttijloos behoort wel tot onze landgenoten in tegenstelling tot de lelie en vele andere van haar opvallende familieleden, maar toch is zij veel minder bekend. De eerste indruk, die men ontvangt, wanneer men haar zacht-lila bloemen als bleke vlammetjes tussen het groen van de weiden vindt, is: hoe mooi, hoe teer! Maar pas op! haar sappen kunnen doden. Lees verder

Bron: Mededelingen van de Anthroposofische Vereniging in Nederland 14 (1959) 6, p. 98-103

De salomonszegel

Bij het overpeinzen van de plantenfamilie der lelieachtigen dringen zich vooral die bekende bolgewassen naar voren, die vaak slechts weinige eenvoudig gebouwde bladen ontwikkelen, die hun bloemen zeer duidelijk naar voren dragen en die bloeien op plaatsen, waar ze hun kleur helder kunnen laten oplichten met behulp van de frisse voorjaarszon. Lees verder

Bron: Mededelingen van de Anthroposofische Vereniging in Nederland 11 (1956) 4, p. 63-65

De iris

Toen ik nog een kleine jongen was, groeiden er in onze tuin grote blauwe irissen. Waarom zij bijna de enige bloemen zijn, die ik mij nog herinner uit die tijd, kan ik niet zeggen. Wel weet ik, dat zij een diepe indruk op mij maakten en een grote liefde in mij wekten. Lees verder

Bron: Mededelingen van de Anthroposofische Vereniging in Nederland 11 (1956) 1, p. 1-5

De hyacint

Wanneer in het voorjaar de bloei op de bollenvelden begint, wordt heel het landschap geverfd met machtige kleuren en rijke geuren vervullen weldra de ruimte. Maar hoe indrukwekkend dit ook is, de echte natuurliefhebber ziet meer in het kleinste onkruidplantje dan in die kleurenzee. Lees verder

Bron: Mededelingen van de Anthroposofische Vereniging in Nederland 14 (1959) 3, p. 38-43

Ingeprente vormen bij de omgang met mensen en dingen

Een jong mens wordt op de omgang met andere mensen voorbereid, door het inprenten van beleefdheidsvormen. Deze vormen zijn in de eerste plaats daartoe bestemd de andere mens te eren en tot zijn recht te doen komen. Heeft een mens een tekort aan zulke vormen, dan dreigt het gevaar, dat hij de andere mens te weinig laat gelden en dat hij hem zelfs opzij drukt. Hoe is het op andere gebieden? Lees verder

Bron: Mededelingen van de Anthroposofische Vereniging in Nederland 20 (1965) 7/8, p. 153-155

Over het wezen van licht en duister I. De bomen en het avondgoud

Na zulk een dag vol licht brengt de avond nog een verhoging van alle heerlijkheid. De neergaande zon begint een gloeiend gordijn uit geel en goud geweven omhoog te trekken. Hoe meer zij daalt hoe meer de goudstrook boven de horizon uit rijst en hoe warmer, ja, hoe vuriger haar gloed wordt. Lees verder

Bron: Mededelingen van de Anthroposofische Vereniging in Nederland 12 (1957) 2, p. 17-19

Over het wezen van licht en duister II. Beeld en kiem in de natuur

Nu willen wij nog eens aanknopen bij de beelden, zoals deze in een vorig artikel geschetst zijn en trachten iets meer van de inhoud weer te geven. Soms kunnen wij het grote het beste benaderen door ons te richten op de spiegelingen, die het werpt in het kleine. In dit geval willen wij een kruidachtige plant, die zich geleidelijk ontwikkelt en daarbij zijn bloemen ontplooit en zaad vormt, in gedachten volgen. Lees verder

Bron: Mededelingen van de Anthroposofische Vereniging in Nederland 12 (1957) 3, p. 41-45